Wilt gij met Mij de kinderen van de verlossing zijn? (Boodschap 5 juli 1967)

Legioen Kleine Zielen van het Barmhartig Hart van Jezus

Door E.H. Luc Vanstraelen

katholiek-onderwijs_5

Mijn lieve Kleine Zielen,

Toen ik op een willekeurige bladzijde het eerste boekdeel van de Boodschap van de Barmhartige Liefde aan de Kleine Zielen opende, las ik als eerste zin uit de Boodschap van 5 juli 1967 het volgende:

Jezus: ‘Kleine Zielen, wilt gij met Mij de kinderen van de verlossing zijn?‘

Dit is een rechtstreekse vraag en ik voelde mij onmiddellijk aangesproken. Zonder het vervolg van deze boodschap te lezen waren mijn eerste gedachten: ‘Ja. Heer, ik wil heel zeker, vanuit de grond van mijn hart en met inzet van al mijn mogelijkheden, meewerken om de mensen rondom mij op een of andere manier te helpen beseffen en waarderen dat Gij ook voor hen Mens geworden zijt en dat Gij door uw heilig Kruis ook voor hen verlossing hebt gebracht. Gij hebt met uw Boodschap, mij en allen die in U geloven, een krachtig hulpmiddel…

View original post 2.185 woorden meer

Sint Jozef voor Het Legioen Kleine Zielen

Door E.H. Luc Vanstraelen

H Jozef en Kind“Weet wel dat ge in de Hemel geen grotere beschermer hebt dan hij”. (Boodschap 19 maart 1979)


Mijn lieve Kleine Zielen

Al sinds het ontstaan van de Kerk streven gelovige mensen ernaar om Jezus Christus zo goed mogelijk in zijn leven en leer na te volgen. Sommigen deden dit op een zo volmaakte wijze dat het niet anders kon dan dat dit opviel in hun omgeving. Deze mensen noemen wij heel terecht “heilig”, in de meest verheven zin van het woord. Zij zijn niet alleen geheiligd door het doopsel en het aanvaarden van de genade van Onze Heer Jezus Christus in dit leven, maar wij zijn er absoluut zeker van dat zij ook bij God in eeuwigheid leven in de vreugde van de hemel. Hun leven of sommige aspecten in hun levenswijze en beoefenen van de deugden wordt nu nog altijd als navolgenswaard voorgehouden. Zij zijn een levend voorbeeld van hoe een mens naar God toe kan groeien wanneer hij of zij zich volledig door Hem laat inpalmen en van ganser harte “ja” durft zeggen.

Sommige heiligen zijn wereldwijd bekend. Hun levenswijze, hun woorden of geschriften, hun daden of het beoefenen van de christelijke deugden spreekt zo aan en is zo inspirerend dat zij uitgegroeid zijn tot een voorbeeld voor de universele Kerk. Wij spreken hier over die heiligen van wie de hele Wereldkerk op haar liturgische kalender het feest viert. Ik denk hier aan de H. Maagd Maria, Petrus, Paulus, Andreas, alle apostelen en evangelisten, Franciscus van Assisi, Clara, Teresia van Avila, Johannes van het Kruis, Don Bosco, Moeder Teresa, pater Damiaan, en nog vele anderen. Daarnaast zijn er nog veel meer heiligen die niet wereldwijd bekend zijn. Hun feest wordt in bepaalde streken of landen gevierd. Ook zij zijn en blijven een bron van genade en een oproep tot heiligheid. Maar hun verering is meer plaatsgebonden. Zo denk ik bv. aan Johannes Berchmans, Sint Lutgart, Sint Trudo, de heilige Amandus, de heilige Amandina, de heilige Godelieve, enz. En dan zijn er nog de ontelbare heiligen die nooit op de liturgische kalender vernoemd zullen worden. Dat zijn de gewone mensen die heel hun leven, met vallen en opstaan, naar best vermogen getracht hebben Jezus na te volgen. Zij leefden en stierven als goede mensen, die hun best deden iedere dag weer opnieuw, en meestal zonder op te vallen. Dat zijn de mensen waarover de ziener Johannes zo mooi schrijft in zijn Apokalyps: Toen hoorde ik een geluid als van een grote menigte en als het gedruis van vele wateren en als het dreunen van zware donderslagen, en zij riepen: “Halleluja! De Heer onze God, de Albeheerser, heeft zijn koningschap aanvaard. Laat ons verheugd zijn en juichen en Hem eer bewijzen”. (Apok. 19, 6-7a)

Ik wil het nu hebben over één van die grote heiligen over wie en tot wie in onze Kerk veel te weinig gesproken en gebeden wordt nl.: Sint Jozef.

-Wie is deze Jozef?

-Wat heeft hij gedaan?

-Welke is zijn plaats in de heilsgeschiedenis?

-Waar vinden wij hem terug in het leven van Jezus?

-Is hij echt zo belangrijk in de Kerk?

-Kennen de gelovigen Sint Jozef nog?

Dit zijn veel vragen in korte tijd. Te veel vragen om op enkele bladzijden allemaal te beantwoorden. Voordat wij verder gaan met deze uiteenzetting bidden wij het gebed of het ‘memorare’ van zuster Faustina:

Gedenk, O aller-zuiverste bruidegom van de heilige Maagd Maria, en mijn zeer beminde beschermer, heilige Jozef, dat het nooit gehoord is dat iemand die uw zorg afsmeekte en uw hulp inriep, ongetroost bleef. Aangemoedigd door dit vertrouwen kom ik tot U en beveel ik mij met alle vurigheid van mijn geest bij U aan. Verwerp mijn bede niet, o voedstervader van de Heiland, maar aanvaard ze welwillend en verhoor ze. Amen.

Ik las eens de volgende uitspraak van een pater: “Het is niet gemakkelijk een homilie te houden over de heilige Jozef, want wij weten zo weinig over zijn persoon.” En ik dacht: “Dit is waar en niet waar”. Het is inderdaad niet gemakkelijk een homilie over Sint Jozef te houden. Maar dat komt niet omdat wij zo weinig over hem weten. Integendeel! Het weinige dat wij vanuit de H. Schrift over Sint Jozef weten is zo rijk aan inhoud, zo vol van het goddelijk mysterie en de werking van de almacht van God doorheen de mens, dat het niet moeilijk is om er iets over te zeggen, maar wel om de juiste woorden te vinden om het te zeggen. Mgr. Josémaria Escrivà de Balaguer, de stichter van Opus Dei, die op 6 oktober 2002 door Paus Johannes Paulus II heilig werd verklaard, schreef in zijn boek ‘De Smidse’, dat pas na zijn dood is uitgegeven, het volgende:

Houd veel van de heilige Jozef. Bemin hem met heel je hart, want hij is degene die, met Jezus, het meest van Maria gehouden heeft. Hij is ook degene die het meest met God omging en, na onze Moeder, het meest van Hem gehouden heeft. Hij verdient het dat je van Hem houdt en het is goed dat je met hem omgaat, omdat bij de meester van het innerlijk leven is en veel invloed heeft bij de Heer en bij de Moeder van God. (De Smidse, nr. 554)

De naam Jozef was en is in een verscheidenheid van vormen een veel verspreide naam. Veel mannen heten Jozef, maar ook de vrouwelijke vorm komt veel voor. Naargelang de streek vinden wij allerhande variaties. Hier volgen slechts enkele voorbeelden van bij ons. Je kunt deze lijst ongetwijfeld met nog veel meer naamvormen aanvullen. Jozef, Joseph, Jos, Jef, Chef, Jefke, Joep, Joop, Joske, José, Josephus, Josse, Sef, Sjef, Beppe, Jozefien, Fien, Fiena, Fieneke, Jozefa, Josette, Josiane, Josina, Sien, enz.

Van uit het Oude Testament kennen wij allemaal de zoon van Rachel en Jakob, die door zijn broers verkocht werd. Diezelfde Jozef werd uiteindelijk onderkoning van Egypte en lag aan de basis van het verblijf van de Joden in Egypte. Van uit het Nieuwe Testament kennen wij de timmerman Jozef van Nazareth. Hij is de echtgenoot van de heilige Maagd Maria en de Voedstervader van Jezus. Gelovigen hebben de derde maand van het jaar heel speciaal aan hem toegewijd. In de wereldkerk vieren wij op 19 maart zijn feest als een hoogfeest. Sommige parochies richten in de maand maart een bedevaart in naar een of ander heiligdom ter ere van Sint Jozef. Zijn trouwe vereerders weten uit ondervinding dat je nooit tevergeefs beroep doet op zijn hulp. Ook Marguerite had een grote verering voor sint Jozef. Op 29 september 1977 schrijft zij in haar ‘Dagboek’:

Mijn geestelijke leidsman heeft gevraagd dat ik hier zou opschrijven wat zich de laatste tijd heeft voorgedaan. Ik maakte een lange week van groot lijden door; nog meer lichamelijk dan geestelijk. Ik had Jezus niet gevraagd mij ervan te ontslaan; ik voelde daar zelfs het verlangen niet toe. Ik begreep dat Jezus mijn lijden nodig had. Ik wist wel dat Hij op het juiste moment tussenbeide zou komen.

Op zekere dag, toen ik op het einde van mijn lichamelijke en nerveuze krachten was en nederig mijn zwakheid betreurde, die me belette verder te gaan, heb ik mijn toevlucht genomen tot Sint Jozef, mijn goede hemelse beschermer. Hij was het die, tijdens een droom, bij de aanvang van mijn bekering, met een brede beweging van zijn arm een gevaar waar ik me niet van bewust was, voor mij uit de weg ruimde. Ik heb de vaste overtuiging dat Sint Jozef op dit moment mijn beschermer tegen alle gevaren van het leven is geworden.

Ja, ik heb hem aangeroepen; ik ben begonnen met een noveen van vertrouwen. De tweede dag ondervond ik een gevoelige verbetering die zich verder doorzette. Ik heb die noveen beëindigd met een dankgebed. De Heer had me verhoord door de voorspraak van mijn goede vader Sint Jozef. Het is trouwens niet de eerste maal dat hij tussenbeide komt in mijn leven Deo gratias! Verering en dankbaarheid voor die goede heilige vervullen mijn hart. 

De Kerk eert de heilige Jozef met een hoogfeest. Dit is niet altijd zo geweest. Vroeger werd hem niet zo veel eer geschonken. En als wij de hedendaagse situatie bekijken merken wij dat nog altijd niet veel aandacht aan Sint Jozef geschonken wordt. Ondanks de ruime verspreiding van zijn naam en de talrijke kerken die hem zijn toegewijd blijft Sint Jozef nog altijd de stille, weinig gekende heilige.

In Midden – Europa werd al in de 9de eeuw het feest van Sint Jozef op 19 maart gevierd. Het heeft echter nog lang geduurd vooraleer Sint Jozef zijn plaats kreeg op de kalender. De Franse theoloog Jean de Gerson (° 1363 – + 1429) diende in 1414 een voorstel in om de heilige Jozef op de liturgische kalender van de katholieke Kerk te plaatsen. In diezelfde tijd leefde er ook in Italië een groot vereerder van Sint Jozef, nl. de heilige Bernardinus van Siëna. Hij werd rond 1380 geboren en stierf op 49-jarige leeftijd in 1429. Aangetrokken door het franciscaanse ideaal trad hij binnen in de orde van de minderbroeders. Bernardinus werd vooral bekend als rondreizende predikant en als schrijver van theologische werken. Hij kon boeiend en met heel veel talent spreken. Wanneer de heilige Bernardinus kwam preken waren de kerken heel dikwijls veel te klein. Hij moest dan buiten op pleinen en marktplaatsen preken, waar duizenden mensen samen stroomden om naar hem te luisteren. Bernardinus was ook een bekende vredestichter. Door onder andere zijn prediking heeft hij heel wat vijandige groepen of families dichter tot elkaar gebracht en met elkaar verzoend. Hij sprak heel graag over Sint Jozef. Hier volgt een kort uittreksel uit zo een preek.

Er bestaat een algemene regel aangaande speciale genaden welke aan een mens worden gegeven. Als God een persoon verkiest om een speciale genade of om een verheven roeping te ontvangen, zal Hij deze persoon overladen met alle mogelijke gaven en genaden die nodig zijn om hem of haar toe te laten de opgelegde taak te vervullen.

Deze algemene regel is zeer zeker van toepassing op Sint Jozef, de voedstervader van onze Heer Jezus Christus en echtgenoot van de Koningin van onze wereld, de H. Maagd Maria, die verheven is boven de engelen.

Hij was door de hemelse Vader verkozen als beschermer van zijn grootste schat, namelijk zijn goddelijke Zoon en Maria, de bruid van Jozef. Hij voerde de roeping die hem opgedragen was uit totdat God op het laatste zei: “Goede en trouwe dienaar, treed binnen in de vreugde van uw Heer” (Mt. 25,21).

Heilige Jozef, gedenk ons en pleit voor ons bij uw Zoon. Vraag uw heilige Bruid, de H. Maagd Maria genadig op ons neer te zien, daar zij de Moeder is van Hem welke tezamen met de Vader en de heilige Geest eeuwig regeert en leeft. Amen.

In 1479 werd ter ere van Sint Jozef een kerkelijk feest ingevoerd op de rooms-katholieke kalender. En dat had hij dan nog vooral te danken omdat hij bij de gewone gelovige al algemeen vereerd werd als de beschermheilige van timmerlieden en van stervenden. Het patroonschap van de timmerlieden haalde men uit het evangelie. Jozef was immers timmerman in Nazareth. Sint Jozef aanroepen als patroon van de stervenden was het gevolg van een gewone, logische redenering. De laatste maal dat er bij de evangelisten over een levende Jozef gesproken wordt is bij de terugvinding van de 12-jarige Jezus in de tempel te Jeruzalem. Daarna is er bij de evangelisten geen sprake meer van een levende Jozef. Daarom neemt men algemeen aan dat hij gestorven is vooraleer Jezus zijn thuis te Nazareth verliet om aan zijn leven van rondreizende Prediker en Rabbi te beginnen. Het ligt dan ook voor de hand dat Sint Jozef die, bij wijze van spreken, in de armen van Jezus en Maria gestorven is, aangeroepen wordt als schutspatroon van de stervenden.

Pas in 1621, onder paus Gregorius XV, werd het feest van Sint Jozef een feestdag in heel de Kerk. In 1679 werd hij uitgeroepen tot patroon van de Nederlanden. Maar het zou toch nog 191 jaar duren vooraleer een Paus de Kerk onder de hoede van de heilige Jozef plaatste. Om te begrijpen waarom dit gebeurde, moeten wij even teruggaan naar het niet zo verre verleden, nl. het jaar 1870. Eeuwen lang bezaten de pausen niet alleen geestelijke macht maar gedurende duizend jaar ook een zekere wereldlijke macht. Toen Karel de Grote in het jaar 800 door Paus Leo III tot keizer werd gekroond, gaf hij aan de paus een stuk land ten geschenke. Sindsdien bezaten de opeenvolgende pausen hun eigen staat en breidden geleidelijk aan hun bezittingen uit. Op 20 september 1870 drong een leger van 60.000 Piëmontezen onder bevel van de Sardijnse koning Victor-Emmanuel II Rome binnen. De pauselijke staten werden ingelijfd door de bezettingsmacht en definitief aan het wereldlijke gezag van de paus onttrokken. Paus Pius IX behield alleen het geestelijke bestuur over de Kerk. Het enige wat hem overbleef is de Citta del Vaticano (= Vaticaanstad). Sindsdien is de paus nog het wereldlijk staatshoofd van de soevereine staat Vaticaanstad. Deze is een onafhankelijke staat in de stad Rome en omvat de Sint-Pietersbasiliek, de Vaticaanse paleizen en Musea, de Vaticaanse tuinen en gebouwen. Het mini staatje heeft een oppervlakte van 44 hectaren en is daarmee het kleinste land ter wereld. De gebouwen van Vaticaanstad worden begrensd door de Middeleeuwse en Renaissance ommuring langs de Viale Vaticano en de zuilengalerij van het Sint-Pietersplein. Wij keren nu terug naar 1870. In deze penibele en woelige tijden wilde Paus Pius IX de toekomst van de Kerk toevertrouwen aan de goddelijke Barmhartigheid. Op 8 december 1870 stelde hij de Kerk onder de bijzondere bescherming van Sint Jozef en riep hem plechtig uit tot de “Beschermer van de gehele Kerk”. Dit feest werd gevierd op de derde woensdag na Pasen. Zo werd Sint Jozef dus de patroonheilige van de Kerk. Paus Leo XIII wees de maand maart aan als de Sint Jozefmaand.

Daarna hebben onze pausen meer dan eens het uitzonderlijk belang van de heilige Jozef benadrukt. In 1968, op 19 maart, zegt paus Paulus VI over Sint Jozef:

“Jozef is inderdaad de hoeder, de kostwinnaar, de opvoeder en het hoofd van het gezin geweest waarin de Zoon van God hier op aarde heeft willen leven. Hij is, in één woord, de beschermer van Jezus geweest. En de Kerk is in haar wijsheid tot de slotsom gekomen dat hij, die de beschermer is geweest van het lichaam, van het lichamelijke en geschiedkundig bestaan van Christus, in de Hemel zeker de beschermer van het Mystieke Lichaam van Christus, dat wil zeggen de Kerk, zal zijn.”

Op 15 augustus 1989 heeft paus Johannes Paulus II een uitgebreide brief geschreven over Sint Jozef, met als titel: Apostolische Exhortatie “Redemptoris Custos” (De hoeder van de Verlosser). Deze brief is één lange aansporing tot het herontdekken en herwaarderen van Sint Jozef. In hoofdstuk 6, met als titel: “Patroon van de Kerk van onze tijd” schrijft de paus:

Pius IX die de Kerk in voor haar moeilijke tijden heeft willen toevertrouwen aan de bijzondere bescherming van de heilige patriarch Jozef, heeft hem tot patroon van de katholieke Kerk uitgeroepen.

Wat zijn de motieven voor zoveel vertrouwen? Leo XIII zet het als volgt uiteen: “De redenen waarom de heilige Jozef als de bijzondere patroon van de Kerk beschouwd moet vloeien voornamelijk voort uit het feit dat hij de man van Maria en de voedstervader van Jezus was. Jozef was in zijn tijd de werkelijke en natuurlijke hoeder, het hoofd en de beschermer van de goddelijke Familie. De heilige Jozef verdient dus en is in de hoogste mate waard dat hij op de wijze waarop hij eens in alle omstandigheden op deugdzame wijze het gezin van Nazareth placht te beschermen, nu met zijn hemelse bescherming de Kerk van Christus beschut en verdedigt.

Deze bescherming moet nog steeds ingeroepen worden en is altijd nog noodzakelijk voor de Kerk, niet alleen om haar te verdedigen tegen de gevaren die oprijzen, maar ook en vooral om haar te steunen in haar vernieuwde inzet voor de evangelisatie in de wereld en voor de nieuwe evangelisatie van die landen en volkeren waar de godsdienst en het christelijk leven eens zeer bloeiend waren en die nu zwaar worden beproefd. 

In de evangelies zien wij een sint Jozef die erg op de achtergrond gebleven is. Paus Paulus VI zei het op 19 maart 1965 als volgt:

“In de spiegel van het evangelieverhaal bezien komt Jozef naar voren met de uitgesproken kenmerken van een verregaande nederigheid: een bescheiden arbeider, arm en onopvallend, waar niets bijzonders aan is, van wiens stem in de Kerk zelf geen enkele toonaard doorklinkt. Zij doet van geen enkel woord van hem verslag en maakt alleen gewag van zijn houding, van zijn gedrag, van wat hij heeft gedaan en dat alles in zwijgzame terughoudendheid en in volmaakte gehoorzaamheid.”

Op 1 mei 1955 kondigde paus Pius XII aan dat met ingang van 1956 de 1ste mei het feest moet gevierd worden van Sint Jozef arbeider. Het feest van Sint Jozef, beschermheer van de hele Kerk (Pius IX), verdween van de kalender. In 1969 werd ook het feest van Sint Jozef arbeider facultatief. Met andere woorden: men mag die dag de heilige mis vieren ter ere van Sint Jozef of men neemt gewoon het misformulier van de tijd van het jaar. In 1962 nam paus Johannes XXIII de naam van Sint Jozef op in de Romeinse canon van de heilige mis, onmiddellijk na de vermelding van Maria en voor de apostelen en martelaren. (= Eucharistisch gebed I)

Het feest van Sint Jozef heeft in de Kerk ook een hele weg afgelegd. Op dit ogenblik is de gevoeligheid voor de voedstervader van Jezus weer sterk afgenomen. Dit is normaal in een tijd van vervlakking en loochening van bijvoorbeeld het mysterie van het maagdelijk moederschap van Maria. Wanneer je Sint Jozef wilt herleiden tot de gewone natuurlijke vader van Jezus, herleidt je ook automatisch Jezus tot alleen maar een mens. Wanneer men dit mysterie, geboren uit de almacht van God, niet meer aanvaardt, kan men de plaats van Sint Jozef in het goddelijk heilsplan ook niet begrijpen. Wie niet wil of kan aannemen dat er nog méér kan bestaan dan alleen maar wat op een natuurlijke of wetenschappelijke manier kan bewezen worden, zal ook geen God meer aanvaarden, laat staan zijn mysteries.

Wie kijkt met de ogen van het geloof vindt Sint Jozef belangrijk genoeg om een grote plaats te bekleden in het plan van de Almachtige.

Marguerite schrijft over Sint Jozef op 19 maart 1977:

Ik ben hier op de afspraak van elke dag. Ik bemin mijn God, ik bemin mijn Moeder, en mijn aandacht gaat naar Sint Jozef! Vandaag is het zijn feest. Ik wil hem vereren. Ik ga de 7 vreugden en de 7 smarten bidden. Ik zal heel de dag een kaars laten branden in mijn kleine heiligdom. Ik vraag niets voor mezelf, ik vraag alles voor de anderen. Ik weet dat St. Jozef me beschermt. Mijn goede vader weet wat me past en verwijdert al wat me kan schaden. Ik heb zoveel vertrouwen in Sint Jozef!

Ik bid niet altijd tot hem, dat is waar; misschien niet genoeg. Maar ik weet dat hij hier is, dat volstaat. Een enkele blik zegt soms zoveel. Het belang van de rol die hij in mijn leven speelt, ontsnapt me niet. Zijn tussenkomsten, de droom die ik kreeg; dit alles is aanwezig in het diepst van mijn hart. Ik vereer hem met een mateloze dankbaarheid. Ik houd ervan hem op zijn feestdag te gedenken. De woorden zijn zo arm om uit te drukken wat ik voel voor deze grote, wonderbare heilige van de stilte en van de Liefde! Die goede vader, altijd bereid om op de achtergrond te treden, die trouwe bewaker van Gods schatten!

Hij is de grootste, de machtigste heilige van alle tijden. Hoe jammer dat hij niet méér gekend, bemind en vereerd wordt!

Ja, ik bemin St. Jozef: hoeveel genaden heeft hij me niet geschonken! Vandaag kom ik voor hem met alle Kleine Zielen van heel de wereld: voor allen, voor ieder, roep ik zijn bescherming in; ook voor mezelf. 

Het doet me goed me te herinneren dat hij, al sinds jaar en dag, over mij waakt. En dan degenen die ik bemin. Kan ik zeggen dat er mensen zijn die ik niet bemin? Misschien wat minder? Ja. En daarna denk ik aan mijn kinderen, ieder een stuk van mezelf. En dan aan hem die me leidt en in wie ik bescherming voel van de goede St. Jozef voor mij.

Er is de Paus, de bisschoppen, de mijne in het bijzonder, alle priesters, de gelovigen en de anderen. 

Hoeveel intenties breng ik voor de voeten van deze goede heilige! Ik heb pijn, ik heb zoveel pijn! O, ik wil die kans om alles aan de goede God te geven niet verkijken. Alles komt, alles gaat voorbij!”

Na deze mooie beschouwing van Marguerite, waarin haar liefde en verering voor Sint Jozef mooi tot uiting komt, stellen wij ons deze vraag: Waarom is Sint Jozef zo belangrijk voor het Legioen Kleine Zielen?

Sint Jozef is niet alleen de Beschermheer of Patroon van de Kerk maar samen met de heilige “kleine Theresia” ook Patroon van het Legioen Kleine Zielen. Op zondag 16 november 1997, de dag van haar naamfeest, deed Marguerite tot de aanwezige Kleine Zielen de volgende belangrijke uitspraak over Sint Jozef:

“Dierbare Kleine Zielen, als stichteres van dit Liefdewerk benoem ik officieel deze grote heilige tot Beschermheer van het dierbaar Legioen Kleine Zielen over heel de wereld. Ik dring er bij u op aan deze benoeming zeer ernstig te nemen, de uiterste kleinheid en nederigheid van Sint Jozef te overwegen, kleinheid en nederigheid tot in de hemel toe, waar nu zijn woonplaats is en waar hij, in de stilte van de oneindigheid, niet ophoudt te werken. Samen met de kleine Theresia van het Kind Jezus heeft het Legioen twee grote en machtige Beschermheiligen. Bidden wij vertrouwvol tot beiden om tussenkomst in ons leven. Vergeten wij niet dat Sint Jozef de grootste heilige is in de hemel, die de genade heeft ontvangen Maria, zijn zuivere bruid alsmede het Lam Gods te beschermen, en door wie grote dingen kunnen gebeuren. Laat ons dit vooral niet vergeten. ”

In het begin van zijn apostolische Aansporing van 15 augustus 1989 over de persoon van de heilige Jozef en zijn zending en betekenis voor Christus en de Kerk, zegt paus Johannes Paulus II waarom hij het zo belangrijk vindt om uitdrukkelijk over Sint Jozef te schrijven.

Hij wil enige gedachten tot overweging aanbieden over hem aan wie God de zorg voor zijn meest kostbare schatten heeft toevertrouwd en dat doet hij opdat bij allen de devotie tot de patroon van de universele Kerk en de liefde tot de Verlosser, die hij op voorbeeldige wijze heeft gediend, mag toenemen. Zo zal heel het christenvolk niet alleen vuriger zijn toevlucht nemen tot Sint Jozef en met vertrouwen zijn bescherming inroepen, maar altijd zijn nederige, rijpe wijze van dienen en van deelnemen aan het heilsbestel voor ogen houden.

In het vervolg van deze brief gaat de heilige Vader na waar en wanneer Sint Jozef in het evangelie ter sprake komt en welke zijn opdracht is in het heilsplan van God. Heel zijn levenslot is onlosmakelijk verbonden met de uitverkiezing van Onze Lieve Vrouw tot Moeder van de Verlosser.

Vooraleer deze uiteenzetting te beëindigen volgt nog één Boodschap over Sint Jozef. Het is 19 maart 1979, feest van de heilige Jozef. Marguerite mediteert over Sint Jozef en het grote voorrecht, en de belangrijke opdracht die hij van God gekregen heeft. En terwijl zij al nadenkend bidt en biddend nadenkt, spreekt Jezus tot haar met een verhelderende Boodschap.

M: Mijn hart en mijn gedachten gaan uit naar Sint Jozef. Ik ben geheel doordrongen van de herinnering aan de droom die ik jaren geleden kreeg.

Marguerite bedoelt hier de droom waarover zij op 29 september 1977 nog eens geschreven heeft. Bij de aanvang van haar bekering ruimde Sint Jozef met een breed gebaar van zijn arm een gevaar voor Marguerite uit de weg, waarvan zij zich op dat ogenblik niet bewust was. In het vervolg van haar overweging komt zij daar nog eens op terug.

Ik voel zijn bescherming die in de loop der jaren tot uiting kwam. Ze bleef steeds op de achtergrond tegenover Gods werking in mijn ziel, maar toch steeds werkzaam in moeilijke momenten van mijn bestaan. Ze verwijderde steeds met een sterk gezagvol gebaar de gevaren die mij, een door God uitgekozen kind, van alle kanten belaagden. 

Opnieuw zie ik de tedere beschermende blik die op mij rust. Ik zie opnieuw dezelfde blik die verstrakte bij het zien van de gevaren die mij bedreigden, het handgebaar dat ze van mij verwijderde.

Dit alles is mij net zo levendig in mijn geheugen geprent als de eerste dag. Ik kan niet nalaten mijn hemelse beschermende vader, die goede Sint Jozef, mijn hulde en erkentelijkheid te betuigen. Waarom bid ik niet méér tot hem? Omdat zijn nederigheid zich niet beroept op de eretitels die Hij van de Heer ontving.

Nu is hij daar altijd bij Jezus en Maria. Maar hij schept er behagen in alle plaats in mijn hart aan Hem over te laten. Waakzaam beschermt hij voortdurend zijn kleine ziel, maar hij doet het zo bescheiden dat ik niet altijd besef van waar de hulp komt. 

Jezus:  De droom die ge hadt, is meer dan een symbool, het is de tastbare werkelijkheid van elke dag, van elk ogenblik, want nooit verslapt zijn aandacht voor Mij.

Weet wel dat ge in de hemel geen grotere beschermer hebt dan hij.

Op aarde heb Ik hem geëerd: beschermer van mijn Kindsheid, beschermer van mijn heilige Moeder.

Hier in het verblijf van de uitverkorenen, behoudt hij zijn macht over mijn Hart en over het beminnelijk Hart van haar die hij reeds op aarde vereerde.

Machtige voorspraak!

Macht om in te grijpen in uw leven en in het leven van allen die Mij liefhebben.

Ik heb hem genoemd:

Vorst van de hemelse deugden; 

Beschermer der volkeren; 

Middelaar voor de gezinnen die in gevaar verkeren; 

Leraar van mijn Wil in de zielen van goede wil;

Wat kan Ik hem weigeren, die bij mijn komst in de wereld aanvaard heeft om Mij doeltreffend te beschermen, toen mijn Moeder en Ik als klein Kind bedreigd werden door de beulen die ons zochten te doden.

Vereer deze grote Heilige, de Grootste omwille van Zijn innige verbondenheid met Mij en Maria, zijn zuivere Bruid.

In de Boodschap noemt Jezus Sint Jozef de grootste heilige na Maria. Wij hebben alle reden om God te danken omdat Hij ons ook een heilige Jozef geschonken heeft. Marguerite bedankt Jezus dan ook met een mooi gebed tot Sint Jozef. En met dit gebed, in een licht aangepaste vorm, zal ik deze beschouwing beëindigen.

Mijn lieve Kleine Zielen,

Bij het begin van deze beschouwing stelden wij vast dat Sint Jozef vandaag in de Kerk niet meer zo uitdrukkelijk vernoemd en vereerd wordt. Wij bidden en hopen dat dit een voorbijgaand verschijnsel is. Het is dwaas en getuigt van grote lichtzinnigheid of gebrek aan geloof een zo machtige beschermer en voorspreker bij God te negeren of te minimaliseren uit ongeloof of onverschilligheid.

Gelukkig zijn er nog veel mensen, waaronder heel wat Kleine Zielen, die een diepe eerbied voor Sint Jozef koesteren en daar ook durven voor uitkomen. Ook onze laatste Pausen hebben niet gezwegen. Zij hebben verscheidene klare, ondubbelzinnige en lovenswaardige uitspraken gedaan en teksten gepubliceerd die tot verering aansporen. Maar hun woorden klinken niet luid genoeg en bereiken de gelovigen niet. Laten wij bidden dat onze priesters in hun verkondiging meer aandacht willen schenken aan Sint Jozef. Mgr. Josémaria Escriva de Balaguer van wie ik bij het begin van deze conferentie reeds een citaat heb aangehaald, schreef in datzelfde boek ‘De Smidse’ (nr. 552):

Kijk eens hoeveel redenen er zijn om de heilige Jozef te vereren en van zijn leven te leren. Hij stond sterk in het geloof… hij wist zijn gezin Jezus en Maria met hard werken vooruit te brengen, hij eerbiedigde de zuiverheid van de Maagd Maria die zijn bruid was, hij respecteerde – beminde – de vrijheid van God die niet alleen de Maagd uitkoos als zijn Moeder maar die hem ook als echtgenoot van Maria wilde.

Wist ge dat Sint Jozef ooit is uitgeroepen tot patroonheilige van België, Bohemen, Korea, Peru, Oostenrijk, Canada, Mexico en Vietnam? Maar ook van Firenze, Sicilië en Turijn? Hij is ook de patroonheilige – en mijn lijstje is verre van volledig – van de families, arbeiders, snoepfabrikanten, schrijnwerkers, timmerlui, diplomaten, vaders, pioniers, reizigers en stervenden. Zijn hulp wordt ingeroepen tegen het twijfelen, voor hen die aarzelen, voor hen die strijden tegen het communisme, voor het vinden van een woning, voor sociale rechtvaardigheid, voor een goede dood. Sint Jozef is de beschermer van de rooms-katholieke Kerk en één van de twee speciale beschermheiligen van ons Legioen Kleine Zielen. Wij zijn in heel goed gezelschap. Laten wij dankbaar om hun hulp en bijstand bidden bij de zending die wij van Jezus gekregen hebben.

Op 18 juni 1992 zegt Hij tot Marguerite:

Jezus:  Mijn kind, luister, want mijn Hart wil u leren wat Liefde-Caritas is, vurige Liefde, levende Liefde, die dit brandend vuur verspreidt in het ganse heelal. Ik geef u mijn Kracht om de ganse wereld te raken. Gij zijt klein, maar door Mij zijn uw liefdedaden groot. En Ik wil u een nog grotere Liefde geven, een Liefde die de grenzen van de wereldse verdorvenheid overschrijdt. Wilt ge dat?

M:  Ja, ik wil het.

Jezus:  Duld geen enkele inbreuk op de zending die de uwe is en die ge moet aanleren aan de Kleine Zielen. Leer hun zich te geven, zich te vergeten in Jezus – Eucharistie. Ik kan mijn Liefde niet meer inhouden. Deze wereld is te arm aan Liefde om Me te verzadigen. Ik wil de aarde van de mensen veroveren, maar Ik heb zielen nodig, kleine zielen, om voor Mij op stap te gaan, om te verwittigen dat Ik kom en dat Ik ongeduldig ben te zoeken en weer te vinden wie Ik heb gered. Hier ben Ik in tegenspraak met mijn Gerechtigheid die Mij stuwt en tracht door te gaan. En Ze komt doorheen de spleten die een grote doorbraak aankondigen om het kwaad te vernietigen. Klein zijn tegenover Mij versterkt de Tederheid die Ik u toedraag en die de doorbraak van mijn Gerechtigheid verspert. Open Mij de deur van uw hart. Wees werkelijk een Legioen van Liefde. Ik ben Liefde. Ik ben vooral de Allereerste. Maar de Gerechtigheid volgt Mij op de voet.

Een Kleine Ziel moet leven vanuit de Eucharistie en vanuit de eenheid van het ware geloof in de Kerk. Wij moeten ons tot het uiterste inspannen en missionarissen van God worden.

Op 7 april 1992 zegt Jezus:

Ik zal de kleine zielen tot in het oneindige vermenigvuldigen en er zielenvissers van maken. O mijn dochter! Ge weet niet wat Ik met u tot stand heb gebracht.

Anderhalve maand later, op 15 mei zegt Hij:

Dat mijn Kleine Zielen zich tegenover Mij houden als een Liefdesofferande. Ik zal van hen verkondigers maken van het goede nieuws, en mijn legioenairs zullen op hun hart hetzelfde symbool dragen waardoor ze elkaar zullen herkennen, broers en zusters van éénzelfde Vader en éénzelfde Moeder, om het kwaad te overwinnen dat thans in mijn Schepping heerst. Daarom heb Ik een Legioen Kleine Zielen nodig.

En tenslotte, in de Boodschap van 13 augustus 1993 lezen wij:

De Kleine Zielen zijn al bezig het uitzicht van de aarde te veranderen. Met mijn genade hebt gij het schild opgeheven tot verdediging van het geloof dat sterk in opspraak is gekomen. Er zijn vruchten in overvloed, maar Ik zeg u, er zullen stromen losbarsten om ze te vernietigen. Maar niets zal de opmars van het Legioen kunnen tegenhouden, noch zijn bloei in alle landen, niettegenstaande verliezen wegens het onbegrip van sommigen.

Laat ons bidden. Heilige Jozef, goede Vader, ik koester zo veel genegenheid voor u. Vandaag heb ik u zoveel te vragen: voor mijzelf, voor het Legioen Kleine Zielen, voor hen die ik liefheb, en voor hen die niet van mij houden, voor mijn vrienden, voor de arme zondaars en er zijn er zoveel, want wij zijn allen zondaars, Heilige Jozef, bid voor ons; bescherm uw Legioen Kleine Zielen en maak hen tot ware getuigen van de Barmhartige Liefde. Amen.

Uit; Het Legioen Kleine Zielen, Tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen van het Barmhartig Hart van Jezus, Hasselt, 38ste Jaargang nr. 1, Maart 2010, blz. 24-39.

Wie niet wordt als een kind – Frank Arits

67080930_2119685718324486_2812427186231836672_nWie niet wordt als een kind

Door Frank Arits

Deze zin klinkt ons bekend in de oren. Het is een van de vele zinnen die Jezus gesproken heeft en die neergeschreven werden in het Nieuwe Testament. “Wie niet wordt als een kind, kan het Rijk der Hemelen niet binnen!” luidt de volledige zin. Hij geeft ons zeker te denken. Daarom willen we er wat tijd aan besteden en er eens rustig over mediteren.

Het woord ‘kind’ valt ons al meteen op en is hier beslist een kernwoord. Een kind is een mens van nog jonge leeftijd. Bepaalde lichamelijke en geestelijke aspecten moeten zich nog voltrekken en ontplooien. Desondanks is een kind toch al volledig mens, in het klein weliswaar. Enerzijds heeft het een lichaam met gevoelens, intellectuele capaciteiten en psychische rijpheid, alles aangepast aan zijn eigen niveau. Anderzijds bezit het ook een grote ontvankelijkheid en onbevangenheid. Wanneer Jezus spreekt over ‘een kind’ heeft Hij dit laatste zeker voor ogen. Het kind als mensje met een nog grote graad van zuiverheid en openheid op vele vlakken.

Typisch voor een kind is dat het iets ondubbelzinnig kan aannemen. Wanneer gezagspersonen of ouders het kind iets vertellen, zal het dit zonder veel vragen voor waarheid nemen. Wanneer het dit doet, zal het meestal ook consequent opvolgen wat het voor waar heeft aangenomen. Het zal woord en daad op elkaar afstemmen en vooral gewetensvol handelen op zijn eigen kinderlijke wijze. Een gemeend gesproken woord zal dus op een kind een grote uitwerking hebben. Daarom heeft men als volwassene ook de plicht een kind niet te beliegen of met een kluitje in het riet te sturen. Dat zou zeer oneerbiedig en een groot bedrog zijn voor de onschuldige kinderziel. Het kind kan in verwarring komen als het uiteindelijk achter de waarheid komt. Het kan dus in één ogenblik in zijn vertrouwen naar grote mensen toe geschokt worden. De gevolgen daarvan kan men nauwelijks inschatten. Ze kunnen zeer verstrekkend zijn en in het verdere leven negatief doorwerken. Eveneens kan het gevoel van veiligheid dat een kind heeft bij volwassenen een flinke deuk krijgen. Er rust dus een grote verantwoordelijkheid op ouders.

‘Zijn als een kind’ is voor Jezus in een ‘gezegende toestand’ zijn. Het is de bestaanswijze waarop een mens ontvankelijk en gevoelig is zeker voor God en zijn openbaringsgeschiedenis. De bijbelse woorden vinden weerklank in een zuiver, kinderlijk en eenvoudig hart. Nederig onderkent de mens dan wie hijzelf en wie God is. Dit hart wordt hevig bewogen door de liefde van de Heer. De openbaring van het Nieuwe Testament wordt levend, ze krijgt armen en benen en is in deze toestand zeker geen holle taal meer.

Ook het intellect van de mens mag zijn plaats hebben. Maar een rationalisme dat enkel zichzelf bewierookt en in technische en moeilijke constructies zichzelf en God verliest, is hiermee dus niet bedoeld. Alles heeft zijn plaats en kan tot zijn recht komen. Jezus vraagt enkel ‘openheid van hart’, ontvankelijkheid voor zijn zorg en liefde voor iedere mens. Wanneer men dan ook in die zin zijn kind-zijn verliest, is men eigenlijk alles kwijt. Het Schriftwoord zegt immers toch dat men eerst het Rijk Gods moet zoeken zodat al de rest u erbij gegeven zal worden. Het ‘kind-zijn van hart’ en het Rijk Gods vallen als het ware samen en vormen een hecht duo. Het ene hoort bij het andere, het ene leidt naar het andere en De Andere, God zelf dus. Dit alles zet men op het spel als het kind-zijn verloren gaat.

‘Zoekt en gij zult vinden’ is wederom zo’n ronkende zin die in dezelfde richting gaat. God die zich laat vinden als men ‘oprecht’ naar Hem zijn schreden richt. God wil ons ontmoeten van ‘hart tot hart’. ‘Zijn als een kind’ is een stap naar de grote en goede God. Hij heeft ons het kind-zijn als gave geschonken. Wanneer wij die gave aanvaarden, doen we eigenlijk niets anders dan antwoord geven. Angst hoort dan ook niet bij God, Hij die vriendelijk Licht is. Wij kunnen ons geheel aan Hem toevertrouwen. ‘Zijn als een kind’ moeten we dan ook als een kostbare gave koesteren. We moeten er ook gretig gebruik van maken bij de Godontmoeting wanneer wij bidden. De Heer immers geeft richting en zin aan ons leven. Zonder uiteindelijk en waarachtig doel voor ogen wordt alles uitzichtloos. Daarom ook is het ‘kind-zijn’ zo belangrijk. Je vindt het tevens terug in de zaligsprekingen met name “zalig de zuiveren van hart, want ze zullen God zien”. Dat is de fonkeling in de kleine stralende kinderogen die ontroert. Men merkt er iets van God zelf in. God die zich meedeelt in de zuiverheid van een kind. Dat maakt gelukkig en geeft kracht, moed en voldoening.

De hemeldeuren staan voor ieder van ons open. Met de beschreven gesteltenis van het ‘kind-zijn’ wordt het een groot feest dat op aarde bij momenten voelbaar en bijna aanraakbaar wordt maar eerst in de Hemel zelf zijn diepste voltooiing krijgt. Laten we het erop wagen want we hebben er niet ‘niets’ maar wel ‘veel’ bij te verliezen.

Uit; Het Legioen Kleine Zielen, Tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen van het Barmhartig Hart van Jezus, Hasselt, 38ste Jaargang nr. 1, Maart 2010, blz. 13-15.

Op de Website Legioen Kleine Zielen: https://hetlegioenkleinezielen.com/2019/07/25/wie-niet-wordt-als-een-kind

H. Maagd Maria: ‘Ster van Hoop en Vertrouwen’

H. Maagd Maria: ‘Ster van Hoop en Vertrouwen’

Door Zeh. Luc Vanstraelen

 Op 22 mei 1993 zegt Jezus tegen Marguerite: “Kind, gij hebt mijn Moeder een diamant geschonken. Het is een symbool dat Ik op prijs stel. Gij hebt haar de mooiste naam gegeven die Zij verdient: Ster van Hoop en Vertrouwen! Uw Moeder is gevoelig voor dit gebaar.”

Vanuit deze mooie Boodschap gaan wij in wat volgt enkele gedachten ontwikkelen over Maria. Het is goed dit artikel in een geest van gebed en rustige overweging te lezen. Daarom maken wij het even rustig in ons hart en bidden.

En Maria sprak: “Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest, om God, mijn Redder: daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienstmaagd.” (Luc. 1,47-48a).

“God, hemelse Vader, met de woorden van de lofzang van Maria wil ik U prijzen omdat Gij ook nu nog altijd kleine en eenvoudige mensen uitkiest om uw woord met nieuwe levenskracht tot ons te laten komen. Open mijn ogen, opdat ik niet blind blijf voor de tekens die Gij mij geeft. Open mijn oren, opdat ik niet doof blijf voor de woorden die Gij tot mij spreekt. Open mijn mond, opdat ik niet met stomheid geslagen blijf neerzitten als iemand van mij verwacht dat ik spreek in uw Naam. Open mijn hart zodat het ontvankelijk wordt voor de aanwezigheid van Jezus, uw mensgeworden Woord, en uw Liefde in mij kan groeien. Open mijn verstand opdat ik eerlijk en oprecht mijzelf beter leer kennen. Vader, Zoon en heilige Geest, maak mij tot een waardevol werktuig van uw barmhartige Liefde. Amen.”

Op 15 augustus 1978 zegt Jezus: Mijn moeder is mijn Uitverkorene! Hoe meer ge Haar zult liefhebben, hoe meer ge Haar zult eren; en hoe meer Ik u zal liefhebben, hoe meer Ik u met gunsten zal overladen. De Moeder en de Zoon zijn innig verenigd, om u te beminnen en te beschermen… maar scheid nooit de Eén van de Ander. Koningin-Moeder van de kleinen; onthoud uit deze titel slechts dit: Macht en Moederschap. Ik heb u vrijgekocht met mijn Bloed dat voor uw zonden werd vergoten. Denkt ge er voldoende aan dat dit Bloed ook haar bloed is? 

Maria was geheel van God. Nooit zal iemand er in slagen in een intiemere verbondenheid met God te leven dan Onze Lieve Vrouw. De Dogmatische Constitutie over de Kerk, Lumen Gentium van het 2de Vaticaans Concilie zegt als volgt:

De Heilige Maagd Maria, van eeuwigheid samen met de menswording van het Woord Gods tot Moeder van God door een raadsbesluit van de goddelijke Voorzienigheid voorbestemd werd hier op aarde de milde moeder van de goddelijke Verlosser en op heel bijzondere wijze, voor alle andere, zijn edelmoedige gezellin en de nederige dienstmaagd van de Heer. Zij heeft Christus ontvangen, gebaard, gevoed, in de Tempel aan God aangeboden, bij de dood van haar Zoon op het kruis meegeleden samen met Hem; en aldus op volstrekt enige wijze aan het werk van de Heiland meegewerkt door haar gehoorzaamheid, haar geloof, haar hoop, haar vurige liefde, om het bovennatuurlijk leven van de zielen te herstellen. Daarom is zij, in de orde van de genade, onze moeder. (N. 61) 

En toch beroemt Maria zich geen enkel ogenblik van haar leven op deze grote uitverkiezing. Zij weet dat dit niet haar eigen verdienste is, integendeel. Zij is er zich heel goed van bewust dat alles wat haar gebeurt, het werk van God is. Daarom bezingt zij in haar Magnificat vol vreugde zijn lof met de woorden: “Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest, om God, mijn Redder: daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid van zijn dienstmaagd’. ” (Luc. 1, 47-48a). In Maria zien wij weer opnieuw dat God de mens met andere ogen bekijkt dan de wereld dat doet. Hij kijkt naar het hart van de mens. Sint Paulus heeft dit heel goed gezien. Zo schrijft hij in zijn 1ste brief aan de christenen van Korinthe: Denkt maar aan uw eigen roeping, broeders. Naar menselijke maatstaf waren er niet velen geleerd, niet velen machtig, niet velen van hoge afkomst. Nee, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren, om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren, om het sterke te beschamen; wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren; wat niets is om teniet te doen wat iets is, opdat tegenover God geen mens zou roemen op zichzelf. Dank zij Hem zijt gij in Christus Jezus, die van Godswege heel onze wijsheid is geworden, onze gerechtigheid, heiliging en verlossing. Daarom, zoals er geschreven staat: als iemand wil roemen, laat hem roemen op de Heer.” (1,26-31)

Met deze laatste woorden verwijst Paulus naar de profeet Jesaja die ook zeer sterk benadrukt dat God Degene is die het initiatief neemt. Hij staat aan de oorsprong van al wat er gebeurt. Zo spreekt de Heer: De wijze moet zich niet beroemen op zijn wijsheid, de sterke niet op zijn kracht, de rijke niet op zijn rijkdom. Als iemand zich ergens op wil beroemen, dan moet hij zich erop beroemen dat hij inziet en erkent dat Ik, de Heer, genade schenk, en recht en gerechtigheid vestig op aarde, want daarin heb Ik welbehagen – godsspraak van de Heer. (Jes. 9, 22-23)

Wij willen nu even nadenken over de opdracht en de plaats van Maria en haar strijd tegen het kwaad en de duivel in de wereld. Maar tegelijkertijd ook onze eigen houding even onderzoeken aan de hand van enkele Boodschappen. Volgens de woorden van haar lofzang heeft God met welbehagen naar haar omgezien omwille van de kleinheid van zijn dienstmaagd. Dit is een zachte vertaling van een veel sterkere uitdrukking in het evangelie. Lucas spreekt niet over een dienstmaagd, maar over een slavin. Maria noemt zichzelf de slavin van de Heer. Dat is dus iemand die volledig toebehoort aan haar Heer met ziel en lichaam en die Hem ook onvoorwaardelijk gehoorzaamt. De liefde, het respect en de eerbied van Maria voor God is zo groot dat zij zichzelf met ziel en lichaam, met heel haar hart en heel haar geest, met al haar kunnen en talenten, in zijn dienst stelt. De woorden die Maria op het einde van de ontmoeting met de engel Gabriël uitspreekt getuigen ondubbelzinnig van deze bereidheid en overgave aan God: zie hier de ‘slavin’ van de Heer. Met andere woorden: “Mijn God, ik sta heel en al in uw dienst.” Door deze beschikbaarheid, door het uitspreken van haar onvoorwaardelijke overgave aan God, is zij de moeder geworden van de Messias, Jezus, de Christus.

De dogmatische Constitutie “Lumen Gentium”, van het tweede Vaticaans Concilie, zegt het in nr. 16 en nr. 61 als volgt:

Met geheel haar hart en door geen enkele zonde weerhouden, heeft zij de goddelijke heilswil aanvaard. Als dienstmaagd van de Heer heeft zij zich geheel en al aan de persoon en het werk van haar Zoon gewijd, om afhankelijk van Hem en met Hem, door de genade van de almachtige God, in dienst te staan van het verlossingsmysterie. Terecht zijn de Heilige Vaders dus van mening, dat God Maria geenszins als een louter passief werktuig gebruikt heeft, maar dat zij in vrijwillig geloof en gehoorzaamheid aan het verlossingsmysterie meewerkt. (N. 16)

Zij heeft Christus ontvangen, gebaard, gevoed, in de tempel aan God aangeboden, bij de dood van haar Zoon op het kruis meegeleden samen met Hem; en aldus op volstrekt enige wijze aan het werk van de Heiland meegewerkt door haar gehoorzaamheid, haar geloof, haar hoop, haar vurige liefde, om het bovennatuurlijk leven van de zielen te herstellen. Daarom is zij, in de orde van de genade, onze moeder. (N. 61)

Met dezelfde liefde en toewijding waarmee zij voor Jezus gezorgd heeft, is zij ook nu voor ons allen bekommerd. Maria is niet alleen de Moeder van de Messias. Zij is ook onze Moeder.

Wij lezen in N. 62:

Want ten hemel opgenomen, heeft zij deze heilbrengende taak niet neergelegd, maar door haar menigvuldige voorspraak gaat zij voort met ons de gaven van het eeuwige heil te bezorgen. Met moederlijke liefde draagt zij zorg voor de broeders van haar Zoon, die nu nog op pelgrimstocht zijn en in gevaren en angsten verkeren, totdat zij het gezegend vaderland bereiken.

In de Boodschap van 02 mei 1980 zegt de Vader: Moeder van God, Moeder van de mensen! Geloof in Haar, Geloof in mijn Liefde! Wees trouw: offer uw lijden op, mijn kindje! 

Jezus heeft zelf gewild dat zij ons aller Moeder werd. Van op het kruis heeft de stervende Jezus ons zijn Moeder geschonken.

In de Boodschap van 25 november 1978 zegt Jezus: Onder alle rijkdommen van hemel en aarde is mijn Moeder de schoonste gave, de meest bewonderenswaardige Schat. Mijn Moeder aan wie de zielen mijn Barmhartigheid, mijn geduld en mijn barmhartige goedheid verschuldigd zijn. Mijn Moeder is ook uw Moeder.

Op 3 december 1966 lezen wij: Als ge beter het Hart van uw lieve Moeder kende, zoudt ge mijn liefdegave meer op prijs stellen. Bemint haar, schenkt haar uzelf. Het is Mij veel aangenamer u uit haar handen te ontvangen. Kunt gij u voorstellen, dat Ik u zou verstoten wanneer zij Mij hulp en bijstand voor u vraagt? Wat is het bedroevend voor Mij wanneer Ik mijn Onbevlekte Moeder zo verwaarloosd zie tot in de kerken toe. Geef haar weer de verering die haar van rechtswege toekomt. Zij is mijn Moeder en de uwe. Verbindingsteken tussen ons. Ik zal genadig zijn voor degenen die haar oprecht liefhebben, haar die onophoudelijk bidt voor allen. Zij is de steunpilaar van mijn Kerk, niets ontsnapt aan haar waakzame blik. Zij is schrikwekkend voor de vijand. Vertrouwt u aan Maria toe. Zij zal Mij uw noden, uw zorgen en uw vreugden brengen. Vertrouwt op haar. Bemint haar met dezelfde liefde waarmee ge Mij bemint. Ik zal er niet jaloers om zijn. 

Maria is een waarachtig Godsgeschenk. Dit hebben ontelbare mensen reeds ondervonden. Dat was ook zo bij Marguerite. Door haar vertrouwen in onze Lieve Vrouw heeft zij de echte Jezus in haar leven ontdekt. Door haar vertrouwen in Onze Lieve Vrouw kreeg Jezus de kans zich te laten kennen.

Vandaar dat Jezus tot haar zegt op 07 december 1966: Groei in de beschermende schaduw van haar die u aan Mij gegeven heeft. Bemin haar en verspreid haar verering. Vooreerst door uw trouw. En dan door wat de genade u ingeeft. 

Marguerite krijgt hier niet alleen een opdracht, maar de volgorde waarom dit moet gebeuren is ook belangrijk. Jezus vraagt: Maria te beminnen, haar verering te verspreiden in een gesteltenis van volgehouden trouw volgens wat de genade haar ingeeft. Dit is een grondhouding die ook ons leven moet bezielen. Maria eren en beminnen en haar eredienst verspreiden is een opdracht die wij iedere dag vanuit een houding van fundamentele trouw moeten volhouden. Leven met Maria moet verankerd worden in ons hart. En dan zal de heilige Geest ons zonder enige twijfel ingeven welke voor ieder van ons persoonlijk de beste manier is om Maria te beminnen en haar verering te verspreiden. De trouw in het dagelijkse leven wordt dan de vruchtbare voedingsbodem om het goede zaad van onze inzet te laten opschieten. Wij moeten ons echt durven geven aan God. Zo zullen wij trouw zijn opdracht blijven vervullen. Wanneer wij ons jawoord schenken aan de Heer, gebeurt dat niet zo maar in een vlaag van ondoordachte edelmoedigheid. Wanneer wij ons ja woord schenken aan de Heer, dan is dat met de bedoeling trouw te blijven aan dit gegeven woord.

In dezelfde boodschap van 07 december 1966 zegt Jezus nog: Leven in staat van genade is het grootste geluk dat een ziel wensen kan, en Ik zal dit geluk verlenen aan wie het Mij oprecht vraagt. Een plant die geen water krijgt vergeelt, verslenst en sterft bij gebrek aan voedsel. Zo kwijnt de ziel en verkeert in doodsgevaar wanneer ze van genade verstoken blijft. Hoeveel zielen op deze wereld zijn reeds dood, ondanks hun gezond voorkomen dat soms mijn kinderen met de beste vorming misleidt. 

Schijn bedriegt. Ongeloof en dwaling worden zo vaak in mooie en aanlokkelijke kleedjes verpakt. Ze zijn dikwijls zo mooi en zo aanlokkelijk dat het ware geloof, de onvervalste leer van de Kerk en de echte Jezus van Nazareth, de mensgeworden God, onherkenbaar worden. Wij moeten altijd op onze hoede zijn en ons niet laten misleiden. Want het gebeurt spijtig genoeg meer dan eens dat mensen met gezag in de Kerk, een dwaalleer verkondigen. Ongemerkt sluipt het ongeloof binnen als een wolf in een schapenvacht. In het evangelie volgens Matheus (7,15) geeft Jezus ons de volgende waarschuwing: “Pas op voor de valse profeten, die naar jullie toe komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn”. Sint Paulus, in de Handelingen van de Apostelen (20, 29-30) roept te Milete de oudsten van de kerk van Efeze bij zich en geeft hun deze waarschuwing mee: “Pas op voor de valse profeten, die naar jullie toe komen in schaapskleren, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn.” Ze zijn niet altijd onmiddellijk te herkennen. Vandaar het groot belang van het leergezag van de Kerk. Johannes schrijft niet zonder reden ‘in zijn eerste brief, (4,1): “Geliefden, vertrouw niet elke geest. Onderzoek de geesten, om te zien of ze wel van God komen, want onder hen die tot de wereld zijn uitgegaan zijn veel valse profeten.” En wanneer dan de opvolger van Sint Petrus, onze heilige Vader de Paus, hen tot de orde roept en hen wijst op de dwaalleer in sommige van hun stellingen en geschriften, zijn ze dikwijls te trots om hun mening te herzien. Kortzichtigheid of ongeloof in het ondoorgrondelijk mysterie van God belet hen te erkennen dat het wezen en de grootheid van de Almachtige niet met mensenwoorden te vatten is, laat staan te verklaren of te bewijzen. Veel theologen kunnen het mysterie, het per definitie onverklaarbare, niet meer aanvaarden. Zij hebben het moeilijk met de woorden van de engel Gabriël; ze kunnen ze niet meer geloven, laat staan ze in hun hart belijden. Maria daarentegen, was nederig van hart. Zij legde zonder enige voorwaarde te stellen heel haar toekomst in de handen van God. En alhoewel Zij geen geslachtsgemeenschap had met een man en dus ook geen moeder kon worden, was zij zo doordrongen van de grootheid en de almacht van God dat ze de engel Gabriël onvoorwaardelijk geloofde toen deze zei (Luc. 1,35b. 37): De heilige Geest zal over u komen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal wat ter wereld wordt gebracht, heilig genoemd worden, Zoon van God. Want voor God is niets onmogelijk. 

Dit laatste geloven velen niet meer. Er moeten bewijzen op tafel komen. Wat wetenschappelijk niet haalbaar of verklaarbaar lijkt wordt gerangschikt onder de noemer ‘beeldspraak of literaire vrijheid van de schrijver’. Ook wij zijn allemaal kinderen van onze tijd. Ook wij hebben dikwijls de neiging om voor alles wat het Evangelie en het Leergezag van de Kerk ons leert, een bewijs te vragen, zeker wanneer het om bovennatuurlijke gebeurtenissen gaat. “Eerst zien en dan geloven”, zo redeneren de mensen. Maar Jezus draait deze stelling om en zegt: “Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben”. (Joh. 20,29). Maria geloofde zonder gezien te hebben. En daarom wordt zij door alle geslachten “zalig” geprezen!

In de boodschap van 11 november 1967 lezen wij: De band tussen hemel en aarde is mijn Moeder. 

En op 25 november 1978 zegt Jezus: Hoe zou Ik kunnen weigeren naar Haar te luisteren en Haar te verhoren, die Mij door haar Fiat aan de wereld heeft gegeven om deze te verlossen. Haar smekingen? Ge kunt de ontroering van de Zoon bij het smeken van zijn Moeder niet begrijpen. Mijn Moeder zien wenen is ondraaglijk voor Mij.” 

God is een liefhebbende God die aandacht blijft hebben voor het wel en wee van zijn mensen. De hemel laat de aarde niet los. De vele verschijningen van Onze Lieve Vrouw de laatste 150 jaar zijn even zoveel vingerwijzingen van God. Telkens opnieuw roept Maria op tot bekering. Steeds weer opnieuw belooft Zij haar hulp en steun. Maar de mensheid is doof en hardleers. Bijvoorbeeld op de berg nabij La Salette in 1846 verscheen Onze Lieve Vrouw aan twee kinderen, terwijl de tranen uit haar ogen stroomden. Zij doet een vurige oproep tot bekering en klaagt vooral aan dat de mensen de eerste drie geboden van God niet onderhouden. De liefde voor God is ver te zoeken in het hart van velen. Zij weent omdat de zondag niet meer gerespecteerd wordt als de dag die toegewijd is aan God zelf. Zij weent omdat vele mensen de naam van haar Zoon voortdurend misbruiken en misprijzen door hun gevloek en godslasterlijke uitspraken. “Ik heb u zes dagen gegeven om te werken; de zevende dag heb Ik gereserveerd voor mijzelf en men wil hem Mij niet geven. De voerlui van de karren vloeken maar raak, met de naam van mijn Zoon op hun lippen…”. Zo spreekt Maria. Het valt op dat zij de woorden uit de Bijbel tot de hare maakt. In het boek Exodus 20,1.7-93.11 lezen wij: Toen sprak God al de woorden die hier volgen. Gij zult de naam van Jahwe, uw God, niet lichtvaardig gebruiken; want Jahwe laat degenen die zijn naam lichtvaardig gebruiken, niet ongestraft. Denk aan de sabbat; die moet heilig zijn voor u. Zes dagen zult ge werken en alle arbeid verrichten. Maar de zevende dag is de sabbat voor Jahwe, uw God. Dan moogt gij geen enkele arbeid verrichten. In zes dagen immers heeft Jahwe de hemel, de aarde, de zee met at wat er in is, gemaakt. Maar de zevende dag heeft Hij gerust en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt. 

Wie de naam van God zonder enig respect of zonder liefde gebruikt of erger nog, wie de naam van God misbruikt, en wie geen tijd wil vrijmaken om naar God toe te gaan en naar Hem te luisteren in de kalmte en de rust van gebed en overweging, zal zeker niet beantwoorden aan de opdracht van het eerste en voornaamste gebod, waarop heel de wet, alle voorschriften en heel ons godsdienstig leven steunt, namelijk; gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en al uw krachten. Dit gebod kunnen wij het best beleven door naar onze medemens toe te gaan met dezelfde liefde als deze waarmee Jezus zelf ons bemint. Want wij zijn allen geschapen naar het beeld van God en geroepen om door het geloof dezelfde Vader in de hemel te beminnen en ernaar te streven uiteindelijk voor eeuwig bij Hem te leven. Maar wij zijn toch zo hardleers. Soms krijg je de indruk dat de mensheid in plaats van bij te leren, alles verleert wat waardevol is. Wij zijn koppig en eigenzinnig. Ik, ik, en nog eens ik. Ik ben degene die wel zal bepalen wat mag en niet mag, hoe ik mijn tijd besteed, met wie ik omga en in vrede wil leven. Ik zal wel aanduiden wie ik sympathiek vind en wie ik trouw blijf of niet. Ik beslis over leven en dood. Ik keur abortus en euthanasie goed. En als ik het niet kan verhinderen, klinkt mijn protest zo zwakjes dat het nauwelijks gehoord wordt, laat staan dat iemand er rekening mee houdt. In mijn protest spreek ik daar meestal alleen maar over in een kring van gelijk gezindten. Machthebbers, degenen die het voor het zeggen hebben, liggen niet wakker van mijn zwak verweer. En hoe reageer ik zelf? Misschien denk ik veel te vlug dat ik er toch niets kan aan veranderen. En dus laat ik maar betijen. Ik kan er toch niets aan doen.

God kent en begrijpt ons gevoel van onmacht. Maar Hij wil niet dat wij het opgeven of werkeloos blijven toekijken. In zijn boodschap op 17 februari 1981 zegt Jezus: Mijn Gerechtigheid zal uitvoeren waarvoor ze bestaat! Mijn Liefde zal uitvoeren waarvoor ze bestaat!

Jezus geeft niet op. Hij zal doen wat Hij moet doen. Zijn gerechtigheid en zijn liefde zijn geen dode woorden maar werkwoorden. Er moet iets gebeuren en dat zal ook gebeuren. Zo zijn ook wij geroepen om te doen wat God van ons vraagt, zonder angst en zonder menselijk opzicht, geïnspireerd en gedragen door het woord van God. Wij hebben het recht niet om te zwijgen. Het gezegde: “Spreken is zilver en zwijgen is goud” mag in veel gevallen vooral voorzichtig en waar zijn. Maar niet altijd. Wanneer christenen zwijgen als de Wet van God op grote schaal verloochend en verworpen wordt, lopen zij gevaar te vervallen in een toestand van schuldig verzuim. Zwijgen wordt als instemmen begrepen.

Jezus is het daar niet mee eens. In het vervolg van deze Boodschap lezen wij: Velen schikken zich gemakkelijk in hun ellende, zonder enige moeite te doen om er van af te geraken. Ze noemen zich “klein” tegenover Mij, maar in eigen ogen wanen ze zich groot en belangrijk! Wat kan de Liefde aanvangen in die blinde en dove zielen, die enkel medelijden hebben met zichzelf en die zich enkel om anderen bekreunen volgens hun eigen normen, die niet overeenstemmen met de Mijne? Ik wil zielen die meevoelen met de ellende van de wereld; zielen die door het lijden gelouterd zijn: geen stugge maar nederige zielen, bereid om te helpen en te bemoedigen.

En Hij besluit met deze woorden: Ik ben het die in mijn kinderen lijd! Wilt gij Mij niet troosten? Er is zoveel liefde, tederheid nodig om hen die pijn hebben, te helpen; zoveel fijngevoeligheid van het hart om iemand die lijdt te benaderen. Mijn kleinen! Weest nooit de oorzaak van het verloren gaan van een ziel, maar weest wel haar vooruitgang in de deugd waardig. Ik ben geduldige, edelmoedige, barmhartige Liefde. Ik ben geduldig om u te verdragen, edelmoedig in mijn gaven, barmhartig in mijn Vergiffenis. Doe hetzelfde omwille van mijn Liefde.

Soms vragen wij ons af waarom God zo lang en zoveel geduld met ons heeft. De geschiedenis van het Joodse volk is een aaneenschakeling van vallen en opstaan. God zendt zijn boodschappers, Godsmannen en profeten, om het volk te begeleiden en de rechte weg te wijzen. Maar steeds opnieuw dwaalt het af, want dit volk verkiest zijn eigen weg te gaan. Het loopt allerlei afgoden na en zoekt zijn heil in genot en egoïstisch eigenbelang. Wij zouden het al lang opgegeven hebben. Maar wij zijn ook maar mensen. Daarom zijn wij ook niet verwonderd dat ook Marguerite op een bepaald ogenblik in haar gebed aan God vraagt, waarom Hij Jezus tot ons heeft gezonden. De mensen hebben eeuwen lang reeds zoveel kansen gehad zich tot God te bekeren. En iedere keer verlaten zij het goede pad. Wordt God het dan nooit moe met het opnieuw te proberen? En dus vraagt zij aan de Vader op 20 mei 1979: “Waarom hebt Gij ons uw Zoon gegeven?

Jezus antwoordt in de naam van zijn Vader. Het tweede deel van dit antwoord klinkt verrassend nieuw en verdient zeker meer aandacht in de theologie van de Kerk. Jezus zegt: Om u te redden en omdat ge een Moeder nodig had die in staat is mijn Gerechtigheid af te wenden. Zoals Jezus is zij een zuiver geheim van mijn Liefde voor de mensen. Zij is de arm die de weg verspert voor mijn toorn. Zij laat haar arm slechts zakken om de Barmhartigheid door te laten. Ik kan mijn Moeder geen geweld aandoen. Daarom had ge een Moeder nodig. Zonder haar, o kinderen… Daarom dringt zij aan voor de bekering van de volkeren. De dam van haar liefde zal de onstuimige vloed van mijn Gerechtigheid niet altijd kunnen tegenhouden. Ja, haar arm wordt zwaar… 

In deze woorden hoor je de echo weerklinken van de woorden die Onze Lieve Vrouw op de berg La Salette tot Mélanie Calvat (15 jaar oud) en Maximin Giraud (11 jaar oud) sprak. Terwijl zij overvloedig weent, zegt zij: “Als mijn volk zich niet wil onderwerpen, ben ik gedwongen de arm van mijn Zoon te laten gaan. Deze is zo zwaar en zo belast, dat ik hem niet meer kan tegen houden. Als ik wil dat mijn Zoon u niet verlaat, moet ik Hem zonder ophouden smeken; maar gij trekt er u niets van aan.”

En op 15 september 1876, bij de 11de van haar 15 verschijningen aan Estelle Faguette in Pellevoisin zei Maria:“In de Kerk is niet de kalmte die ik verlang. Er is iets. Dat zij toch bidden en vertrouwen in Mij hebben. En Frankrijk! Wat heb ik al niet voor haar gedaan. Wat een waarschuwingen en toch, het weigert te luisteren. Ik kan mijn Zoon niet langer weerhouden.” 

Onze Lieve Vrouw spreekt over zichzelf als een Moeder die haar uiterste best doet om de gerechtvaardigde toorn van haar Zoon in te tomen en zijn vreselijke, straffende hand tegen te houden. Wij moeten aandacht hebben voor de woorden van onze hemelse Moeder en ons uiterste best doen haar verlangen in te willigen. Het volstaat niet om haar alleen maar met woorden te eren. Dit moet vooral gebeuren door onze manier van leven. Zij is niet alleen onze hemelse Moeder, maar als Moeder van Jezus bekleedt zij een heel bijzondere plaats in de heilsgeschiedenis. Maria bevestigt ook dat zij een bijna doorslaggevende invloed kan uitoefenen op het hart van haar Zoon Jezus. Op 8 december 1876, bij haar laatste verschijning te Pellevoisin zei zij tot Estelle Faguette: “Ik ben één en al barmhartigheid en Meesteres van mijn Zoon. Zijn Hart heeft zoveel liefde voor het Mijne dat Hij voor Mij de meest versteende harten zal treffen. Ik ben vooral gekomen voor de bekering van de zondaars. De schatkamers van mijn Zoon zijn reeds lang open, dat zij toch bidden.” En terwijl Maria wijst naar haar scapulier vervolgt zij: “Ik houd van deze devotie. Ik raad dringend aan tot kalmte… “. Een gedeelte uit de Boodschap van 15 augustus 1978 sluit heel goed aan bij deze laatste gedachten. Jezus zegt: Beschouw Maria niet als uws gelijke, maar als Heerseres en Moeder… verheven boven alle moeders der wereld. Zonder zonde ontvangen: “Onbevlekte Ontvangenis”, “Maagdelijk in haar goddelijk Moederschap”. Tot Haar bidden is tot Mij bidden… Vergeet het niet. Maar weet ook dat Zij, als het nodig is, op de achtergrond kan treden voor haar Zoon. Zonder mijn Moeder zou Ik niet bestaan. De Jezus die Zij u gegeven heeft is de gave van een Liefdegod aan een wereld die wreed en ongelukkig is door de zonde. 

Wij kunnen allen meewerken om de liefde van Jezus en zijn barmhartigheid te laten triomferen op zijn gerechtigheid en de straf voor de zonden. Jezus zegt op 12 mei 1979: Ge moet kunnen luisteren, weinig praten, en vervolgens goed handelen. Gun de Heilige Geest de tijd om het bevel over te nemen! Denk er alleen aan lief te hebben. In de liefde is alles vervat. Aangezien Ik alles weet, geef Mij dan ook alles zonder omhaal, en uw tijd zal louter een tijd van liefde zijn. Wees bezadigd en bedachtzaam in alles; let erop dat uw persoonlijke neigingen geen vat op u krijgen. Uw ja zij ja; uw neen zij neen; maar alles moet onwankelbare liefde zijn, want met de Waarheid kan niet geschipperd worden. Naastenliefde eist zelfverloochening. Wat Ik eis van iedere Kleine Ziel, is liefde. 

Jezus vraagt niet alleen onvoorwaardelijke liefde. Hij belooft ook zijn heil als antwoord op onze inzet voor Hem. In zijn boodschap van 20 mei 1979 zegt Jezus dat de Vader ons zijn Zoon heeft gegeven om ons te redden en omdat wij een moeder nodig hadden die in staat is Zijn Gerechtigheid af te wenden. Vervolgens geeft Hij ons een belofte van heil en tegelijkertijd wijst Hij de weg die daartoe kan leiden: Voorwaar, Ik zeg u; kind: “Indien elke ziel, elke parochie, elk land zich aan haar Onbevlekt Hart zou toewijden, zou de wereld gered zijn. Bekijk in uzelf die instinctieve behoefte aan moederliefde…” 

Maar wij zijn te hoogmoedig geworden. Wij denken dat wij het ook wel zonder God kunnen rooien. Zij knoeien er maar op los. Het gaat niet goed met de Kerk, zeggen vele bekommerde gelovigen. Maar dat is nog geen reden tot ontmoediging. Het vergif van ongeloof en goddeloosheid verlamt velen. In de zielen die niet op hun hoede zijn worden de edelste gevoelens verstikt en vervangen door het slijm van ondeugd en geweld. Het is tijd dat de mensen ontwaken uit de verdoving van het dodelijk vergif dat ze als voedsel krijgen. (Bds. 25 augustus 1979).

En Jezus voegt in diezelfde boodschap deze woorden eraan toe: De mensen hebben een tegengif nodig! Om die reden vorm Ik het kleine Legioen van mijn Liefde. Zij zijn de strijders van het laatste uur. Ik geef hun mijn Moeder om hen ten strijde te voeren en hen te doen overwinnen door de uitgelezen middelen die Ik hun ter beschikking stel. Het tegengif voor de hoogmoed van de mensen: Liefde! De Kleine Zielen dragen allen een grote verantwoordelijkheid tegenover Mij. Aan ieder van hen heb Ik een groot aantal zielen toegewezen, die gered moeten worden. De krachten van het goede gaan in botsing komen, ja, ze zijn al in botsing gekomen met de krachten van het kwaad; en die botsing wordt steeds heviger. Uw schild is de macht van mijn Liefde; scheid er u niet van af. Eerbiedig mijn heilige Naam en mijn heilige Tegenwoordigheid op aarde. Bid en laat bidden voor de Kerk. 

Wij hebben een machtige voorspreekster in de hemel. Veel Kleine Zielen bidden regelmatig de litanie ter ere van Onze Lieve Vrouw. Nadat wij God in zijn heilige Drie-eenheid aangeroepen hebben, vragen wij de hulp van Maria. Wij noemen haar op de eerste plaats “heilig” en vuren vervolgens een aaneenschakeling van nog 49 eretitels op haar af. Zoals wij in de vijf tientjes van het Rozenhoedje Maria 50 maal groeten, zo smeken wij haar in de litanie ook 50 maal om voor ons te bidden. Wanneer je een litanie bidt, sta dan ook eens stil bij de beeldspraak die er gebruikt wordt en laat de kracht van de aanroeping tot je komen. Ontdek de werkelijkheid die verscholen zit achter het beeld. Maak het stil in je hart en wordt ontvankelijk, zoals Maria ontvankelijk was voor het woord van God. Ook zij begreep niet altijd wat God met haar voor had of waarom Hij bepaalde dingen liet gebeuren. Maar haar groot geloof en een rotsvast vertrouwen schonken haar de zekerheid dat God haar geest wel zou verlichten, als Zijn uur daartoe gekomen was. Lucas verwoordt deze ingesteldheid van Maria in één prachtige zin. Jozef en Maria hebben de 12-jarige Jezus terug gevonden in de tempel en “Hij ging met hen mee naar Nazareth en was aan hen onderdanig. Zijn moeder bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart.” (Luc. 2,51). Het kan heel goed zijn dat bepaalde aanroepingen uit de litanie je niet aanspreken of dat je ze zelfs niet begrijpt. Ik denk aan bv. ark van het verbond, toren van David, geestelijk vat. Dit zijn met een bijbelse betekenis beladen beelden en symbolen, die niet in enkele woorden uit te leggen zijn. Maar dat is niet erg. Het nadenken en mediteren over het grote mysterie dat God in Maria tot stand heeft gebracht, zal stilaan je geloofsleven verdiepen en verrijken. Af en toe eens iets niet onmiddellijk begrijpen prikkelt de geest, en doet ons op zoek gaan naar de diepere betekenis en achtergrond. Misschien moeten wij al eens vaker bidden: “Kom heilige Geest, verlicht mijn verstand en vervul het hart van uw gelovige met de kracht van uw liefde. Geef mij het gelovige inzicht in wat de hemelse Vader van mij verlangt.” Het loont de moeite om je aandacht ook eens te richten op de vele mariale titels die niet in de litanie vernoemd worden en waarmee onze hemelse Moeder zo gul geëerd en vereerd wordt. Je staat werkelijk versteld van de grote verscheidenheid die er wereldwijd bestaat. Hier volgen enkele bekende titels en namen ter illustratie: Moeder van God, Middelares van genade, Sterre der Zee, Toevlucht van de zondaars (Rue du Bac 1830), De wenende Lieve Vrouw (La Salette 1846), Onbevlekte Ontvangenis (Lourdes 1858), Moeder van de Hoop, (Pontmain 1871). Wanneer ik aan Maria in Pellevoisin (1876) een naam moet toekennen volgens de boodschap die zij meegeeft gaat mijn voorkeur uit naar: Moeder van goedheid en genade. O.-L.-Vrouw van de Rozenkrans (Fatima 1917), Koningin van de Hemel (Beauraing 1932), Maagd der armen (Banneux 1933), De Vrouwe van alle volkeren (Amsterdam 1945-1959), moeder van smarten, Onze Lieve Vrouw van rust…

Ook in het Legioen van de Kleine Zielen heeft Maria een bijzondere naam gekregen. Op 22 mei 1993 zegt Jezus: Kind, ge hebt mijn Moeder een diamant geschonken. Het is een symbool dat Ik op prijs stel. Ge hebt Haar de mooiste naam gegeven die Zij verdient: “Ster van Hoop en Vertrouwen! Uw Moeder is gevoelig voor dit gebaar.” 

Overal ter wereld worden namen aan Maria gegeven. Iedere naam “is een eerbewijs en een teken van liefde. En Maria is dat waard. In de boodschap van 25 november 1978 zegt Jezus: Onder alle rijkdommen van hemel en aarde is mijn Moeder de schoonste gave, de meest bewonderenswaardige Schat. Mijn Moeder aan wie de zielen mijn Barmhartigheid, mijn geduld en mijn barmhartige goedheid verschuldigd zijn. Mijn Moeder is ook uw Moeder! Mijn kleine zielen, zegt aan de wereld dat zij mijn Moeder meer moeten liefhebben en dat zij haar toevlucht moet nemen tot mijn Moeder. 

Jezus geeft de opdracht om de verering van Onze Lieve Vrouw terug aan te wakkeren en opnieuw bekend te maken bij zoveel mensen die niet meer beseffen dat ook zij een hemelse Moeder hebben. “Zegt aan de wereld dat zij mijn Moeder meer moeten liefhebben.”

Beseffen wij wel goed de draagwijdte van deze opdracht? Hier wordt ons een moeilijke opdracht toevertrouwd en tegelijkertijd worden wij met een zware verantwoordelijkheid belast. De wereld staat niet vol ongeduld te springen om godsdienstige boodschappen en opdrachten te krijgen. Integendeel, heel onze maatschappij ademt materialisme en oppervlakkigheid uit. De strijd tussen goed en kwaad gaat onverminderd voort. In het evangelie noemt Jezus de duivel de “vorst van de wereld” (Joh. 14,30). De wereld zal het de Kleine Zielen niet gemakkelijk maken, maar wij mogen niet opgeven. Wij moeten naar buiten treden met een overtuiging die Jezus waardig is. Wij moeten meer voor onze zaak durven getuigen. Dit getuigenis zal niet altijd in dank worden aangenomen. Sommigen zullen erom lachen, anderen zullen zich kwaad maken, zich van ons afkeren omdat zij helemaal niets te maken willen hebben met God en zijn gebod, en noch minder met die “vervelende” Kleine Zielen die zo spontaan en openlijk hun overtuiging durven uitspreken. Maar uiteindelijk zal God overwinnen. Uiteindelijk zullen de heilige Harten van Jezus en Maria bij de mensen een vruchtbare bodem vinden voor de genade die zij overvloedig uitzaaien. “Weliswaar leeft gij in de wereld in verdrukking”, zegt Jezus in het evangelie van Johannes (16, 33b), maar heb goede moed: Ik heb de wereld overwonnen.”

In diezelfde geest zegt Onze Lieve Vrouw op 23 mei 1967: Ik zal het Rijk van mijn Zoon vestigen over de hele aarde. Ik zal de volkeren redden. Ik zal de zondaars bekeren. Wees overtuigd van mijn moederlijke tederheid voor u en voor alle kleine zielen. 

Wij bidden als besluit, vanuit de boodschap van 28 mei 1970: “Heer Jezus Christus, Gij, die voor alle mensen Barmhartige Liefde zijt, weef onder uw geliefde Kleine Zielen de band van broederlijke liefde; leer mij leven vanuit een diepe eensgezindheid in het hart van onze Vader; verhoor mijn gebed voor elkaar; leer mij in geest en waarheld beminnen, zoals Gij mij bemint; ik wil u aanbidden als mijn hemelse Bruidegom die mij zoveel liefde schenkt; leer mij het lijden van de andere op mij te nemen; schenk mij uw genade zodat ik anderen tot steun kan zijn, uit liefde tot U; laat mijn broederlijke/zusterlijke genegenheid een doeltreffend pantser zijn tussen uw gerechtigheid en de zondaar; verenig mij met de anderen door een sterke naastenliefde; maak mij, samen met de anderen, tot één grote familie van Kleine Zielen en wees Gij onze Grote Bezieler; verenig mij elke dag in een levende en totale geestelijke verbondenheid met U; leer mij vertrouwen op uw goedheid; waak over mij en sta mij bij, zowel in twijfel, moedeloosheid als in vreugde; onderricht mij in de stilte van mijn hart; help mij om te beminnen naar uw voorbeeld, Gij die de onuitputtelijke Liefdebron zijt. Help mij volharden in mijn liefdeszending voor het geluk en de vrede van de mensheid; moge uw Barmhartige Liefde in het hart van alle mensen wonen en heel hun leven bezielen, Gij die leeft en heerst, met de Vader en de heilige Geest, in de eeuwen der eeuwen. Amen. Moeder Maria, Gij hebt door uw ja woord de Verlosser aan de wereld geschonken. Blijf onze Voorspreekster, onze steun en onze kracht bij Jezus, uw Zoon en onze Heer. Amen.”

Uit: Het Legioen Kleine Zielen, Tijdschrift van het Legioen Kleine Zielen van het Barmhartig Hart van Jezus, Hasselt, 37ste Jaargang nr.1, Maart 2009, blz. 25-43.

Bron: Website Legioen Kleine Zielen Nederland:  https://hetlegioenkleinezielen.com/2019/07/18/h-maagd-maria-ster-van-hoop-en-vertrouwen